Onafhankelijke kennisbank over brandblussers en blusmiddelen Wanneer moet mijn blusser gekeurd worden?

Brandblusser verplicht in een bedrijf: wat de regels echt zeggen

Wie een kantoor, winkel, werkplaats of horecazaak heeft, krijgt vroeg of laat de vraag of een brandblusser verplicht is. Het eerlijke antwoord: de bouwregels schrijven het zelden voor, maar via de Arbowet, de gemeente en de verzekeraar komt vrijwel elk bedrijf er toch op uit. Dit artikel zet de regels op een rij, met de vraag per bron: wat staat er, en wat betekent dat in de praktijk.

Van Bouwbesluit naar Besluit bouwwerken leefomgeving

Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. Het Bouwbesluit 2012 is vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De technische eisen aan brandveiligheid zijn grotendeels overgenomen, maar met een andere nummering en hier en daar een andere aanpak.

Voor blusmiddelen staan in het Bbl vooral drie dingen:

  1. Brandslanghaspels (artikel 4.220). Bepaalde gebruiksfuncties boven een bepaalde oppervlakte moeten een haspel hebben. De slang is niet langer dan 30 meter en elk punt van de vloer moet bereikbaar zijn binnen de slanglengte plus 5 meter worplengte. De haspel moet zichtbaar hangen of gemarkeerd zijn met een pictogram volgens NEN 3011.
  2. Blustoestellen (artikel 4.223). Een draagbaar of verrijdbaar blustoestel is volgens het Bbl alleen verplicht bij kamergewijze verhuur (in de gezamenlijke keuken en per bouwlaag in de gang of op de overloop) en in wegtunnels van meer dan 250 meter.
  3. Onderhoud (artikel 6.35). Een voorgeschreven blustoestel of brandslanghaspel wordt minstens eens per twee jaar onderhouden en op werking gecontroleerd.

Voor een gewoon kantoor of een winkel zegt het Bbl dus niets over brandblussers. Daaruit volgt niet dat ze overbodig zijn. De verplichting komt uit andere hoek.

De Arbowet: de werkgever moet brand kunnen bestrijden

Zodra er werknemers zijn, geldt de Arbowetgeving. Artikel 3.8 van het Arbobesluit vraagt dat op de arbeidsplaats voldoende passende brandbestrijdingsmiddelen aanwezig zijn. Hoeveel en welke, hangt af van het soort werk, de gevaren daarvan en het aantal mensen dat er maximaal aanwezig is. Dezelfde bepaling eist dat handbediende blusmiddelen gemakkelijk bereikbaar en eenvoudig te gebruiken zijn, en dat ze duurzaam en op de juiste plek gemarkeerd zijn.

De werkgever bepaalt dit via de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Daarin staat welke brandrisico's er zijn en welke maatregelen daarbij horen. Een kantoor met beeldschermen en een pantry vraagt iets anders dan een garage met brandstof of een bakkerij met ovens en frituur.

Daarnaast verplicht de Arbowet de werkgever tot bedrijfshulpverlening (BHV). Een van de taken van BHV'ers is het beperken en bestrijden van een beginnende brand. Een blustoestel heeft dus pas zin als er mensen zijn die weten hoe het werkt. Een BHV-training met echt blussen maakt in de praktijk het verschil tussen een gebruikte en een vergeten blusser.

De gemeente en de brandweer

De gemeente is het bevoegd gezag voor brandveilig gebruik van gebouwen. Onder de Omgevingswet is de oude omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik vervallen. Voor gebouwen waar meer mensen aanwezig zijn dan de grenzen uit het Bbl, geldt een gebruiksmelding, uiterlijk vier weken voordat het gebruik begint. Bij die melding hoort een plattegrond waarop onder meer vluchtroutes en blusmiddelen staan.

De gemeente kan via een maatwerkvoorschrift extra eisen stellen en vraagt daarbij advies aan de brandweer of veiligheidsregio. In die adviezen wordt voor de plaatsing van blustoestellen vaak verwezen naar NEN 4001, de norm voor projectering van draagbare en verrijdbare blustoestellen. Het Bbl zelf noemt die norm niet, maar in de praktijk is het de gangbare maatstaf.

De verzekeraar

Een brandverzekering voor een bedrijfspand komt vaak met voorwaarden. Verzekeraars vragen bijvoorbeeld:

  • blustoestellen die passen bij de risico's in het pand;
  • plaatsing volgens NEN 4001;
  • jaarlijks onderhoud door een erkend onderhoudsbedrijf, met een onderhoudslabel op elk toestel;
  • extra maatregelen bij specifieke risico's, zoals een frituur, een spuitcabine of opslag van gevaarlijke stoffen.

Wie die voorwaarden niet naleeft, loopt het risico dat een schade niet of niet volledig wordt vergoed. Het loont om de polisvoorwaarden er op dit punt bij te pakken voordat er blussers worden gekocht.

Wat de praktijk per type bedrijf vraagt

Type bedrijf Belangrijkste risico Gangbare uitrusting
Kantoor Papier, meubilair, elektrische apparatuur Schuimblussers op de verdiepingen, CO2-blusser bij serverruimte of meterkast
Winkel Verpakkingen, voorraad, verlichting Schuimblussers bij kassa en uitgangen
Werkplaats of garage Brandstoffen, oliƫn, lasvonken Poeder- of schuimblussers, extra blusser bij las- of slijpplek
Horeca Frituurvet, gas, keukenapparatuur Vetblusser bij de frituur, schuimblusser in de zaal, CO2 bij elektrische installaties
Opslag of magazijn Grote hoeveelheden brandbaar materiaal Schuimblussers en vaak brandslanghaspels

Welk toestel bij welke brand past, hangt af van de brandklassen. Een overzicht van de types staat bij alle brandblussers.

Wat regelmatig misgaat

  • Te weinig of verkeerd geplaatst. Een blusser in een kast of achter de deur van een opslagruimte helpt niemand. Toestellen horen zichtbaar te hangen, op de looproute en bij uitgangen.
  • Verkeerd blusmiddel. Een waterblusser bij een frituur of een poederblusser in een ruimte vol computers geeft meer schade dan nodig.
  • Geen onderhoud. Een toestel zonder geldig label kan bij een inspectie worden afgekeurd en levert bij schade discussie op met de verzekeraar. Meer daarover staat bij onderhoud van brandblussers.
  • Niemand weet hoe het werkt. Zonder BHV-training of korte instructie wordt een blusser bij brand vaak niet gebruikt.

Hoe een ondernemer het aanpakt

  1. Leg de risico's vast in de RI&E: welke ruimtes, welke stoffen, hoeveel mensen.
  2. Kijk in de polisvoorwaarden welke eisen de verzekeraar stelt.
  3. Ga na of het pand onder de gebruiksmelding valt en of de gemeente aanvullende eisen heeft gesteld.
  4. Bepaal aantal en type blustoestellen, bij voorkeur op basis van NEN 4001.
  5. Regel onderhoud, zodat elk toestel een geldig label heeft.
  6. Zorg dat BHV'ers en andere medewerkers weten waar de blussers hangen en hoe ze werken.

Met die volgorde ontstaat een set blusmiddelen die zowel aan de Arbo-eisen als aan de verzekeraar voldoet, zonder toestellen die alleen aan de muur hangen voor de vorm.

Veelgestelde vragen

Is een brandblusser wettelijk verplicht voor een bedrijf?

Het Besluit bouwwerken leefomgeving noemt blustoestellen alleen voor kamergewijze verhuur en lange wegtunnels. Voor werkgevers geldt wel het Arbobesluit: op de werkplek moeten voldoende passende brandbestrijdingsmiddelen aanwezig zijn. In de praktijk komt dat voor vrijwel elk bedrijf neer op blustoestellen.

Moet een zzp'er zonder personeel een brandblusser hebben?

Zonder werknemers geldt de Arbo-verplichting in de meeste gevallen niet op dezelfde manier. De verzekeraar of de gemeente kan blusmiddelen wel eisen, bijvoorbeeld bij een werkplaats of een pand waar publiek komt. Wie klanten ontvangt of met brandbare stoffen werkt, doet er verstandig aan er een op te hangen.

Hoe vaak moet een brandblusser in een bedrijf gekeurd worden?

Voor blustoestellen die op grond van het Bbl verplicht zijn, geldt onderhoud minstens eens per twee jaar. Veel verzekeraars en onderhoudscontracten gaan uit van jaarlijks onderhoud volgens NEN 2559.

Wie controleert of een bedrijf voldoende brandblussers heeft?

De gemeente is bevoegd gezag voor brandveilig gebruik van gebouwen en laat zich daarbij adviseren door de brandweer of veiligheidsregio. De Nederlandse Arbeidsinspectie kijkt naar de Arbo-verplichtingen van de werkgever. Daarnaast controleren verzekeraars bij een inspectie of na schade.